strandshuisjes egmondToen ik een kind was hadden we een huisje aan het strand in Egmond. Elke zomer gingen we daar heen. Af en toe werd ons huisje door de zee in elkaar gebeukt. Na de zoveelste overstroming weken mijn ouders uit naar Schoorldam en later Schoorl. Ik heb dat nooit helemaal serieus kunnen nemen. Onze plek was in Egmond, aan het Noorderstrand.  

Op mooie dagen stond de zon als ik wakker werd nog laag over het duin. Ik sprong naar buiten in het nog koude zand. De schaduwen van de huisjes reikten haast tot aan de zee. Het strand lag er leeg en schitterend bij.

Op natte dagen tikte de regen op het canvas tentdak van het huisje. Mijn zusje Edith en ik sliepen in het grote bovenbed, pal onder het dak. We mochten daar niet aankomen, want dan zou het gaan lekken. Maar dat dak van ons lekte nooit. Als het had geregend lag er een natte korst over het droge zand. Als je erop liep brak je door de korst. Daaronder was alles mul.

Als het hard woei joeg de wind het stuifzand door de stegen tussen de huisjes. Al het zachte zand uit de steeg woei weg, tegen het duin aan. Onze deur was aan de steeg. Soms moest je springen om naar buiten te gaan. Dan sprong je op een bodem van hard zand.

Altijd hoorde je in dat huisje het klapperen van het tentdak. En altijd was er de zee met zijn geluid: ruisend of bulderend naar het hem uitkwam.

Toen wij er kwamen was ik 6. Toen we vertrokken was ik 14. De tijd dat wij daar stonden met ons huisje heeft voor mij de uitgestrektheid aangenomen van altijd. Wij waren ’s zomers altijd in Egmond. Dit was zoals het hoorde. Mijn gevoel grijpt daar nog steeds op terug.  

Op het duin

Op het strand waren twee bunkers. De eerste was klein, de tweede was groot. Als je bij de tweede bunker kwam was je de huisjes voorbij. Daar lag een pad waarlangs je het duin op kon klimmen, het avontuur tegemoet. Als je aan de andere kant naar beneden liep was er eerst nog wat hekwerk: paaltjes met draad ertussen. Prikkeldraad. Zulk hekwerk was er ook achter de huisjes. Je kon er op je buik onderdoor, maar dat mocht niet. Niet van de strandwacht en niet van mijn moeder, want je kon je kleren scheuren of je rug open halen.

Maar het pad bij de tweede bunker mocht wel. Je kwam dan in een gebied dat anders was dan het strand. Het was groen, vol struiken. In de kommen van de duinen stonden houten huisjes die daar het hele jaar mochten blijven staan. Langs de hellingen groeiden de bramen die we gingen plukken als ze rijp waren. Prachtige grote wazige bramen. Het was een gebied met paden; mensen mochten er komen. Toch moest je oppassen voor de koddebeiers, mannen in groene pakken die het recht hadden je weg te jagen. Het land was van Jonkheer Six van Hillegom, zo herinner ik me de woorden. Een sprookjesachtig personage.

In de duinen heb ik geleerd op de zon te letten. Als je de weg terug naar het strand wilde vinden moest je de zon links van je hebben staan. Op een gegeven moment hoorde je dan ook duidelijk de zee, en zag je de hoge witte duinen die je op moest voor het strand.

Mijn vader had een kanjer van een schep, net als oom Jan en eigenlijk alle buren. Als de vaders mee kwamen bouwen ontstonden enorme forten, die stand hielden in de vloed. Soms kwam de vloed zo hoog dat er bij de schoeiingen gespit werd om extra hoogte te maken. Elke golf was spannend: zou de zee nog hoger komen? Maar nee, de schoeiing heeft hij nooit gehaald toen ik erbij was.

Annemarie, die mijn nichtje en mijn vriendin was, woonde een paar huisjes verderop. We speelden altijd samen. Soms werden we door onze moeders naar het dorp gestuurd om brood te halen. Sommige winkeliers kwamen met karren het strand op. Dan kwamen de moeders met hun tassen naar het harde zand toe en gingen in de rij staan voor hun groenten en melk. Maar voor de bakker moest je het dorp in. Annemarie en ik kregen geld mee voor brood en een dubbeltje voor een ijsje. Mijn moeder bestelde een half bruin en een half wit, tante Rietje wilde enkel wit.

Als we het brood hadden gekocht, en soms misschien nog een andere boodschap, liepen we naar Lieftink op het Pompplein. Daar kon je op je ijsje of slagroom of een chocoladedip krijgen. Ik koos de chocola, Annemarie de slagroom. We gingen zitten bij de pomp waar toen nog water uit kwam. De grote zwengel ging op en neer en na een paar keer pompen kwam het water.

We hadden gympen of sandalen die we moesten aantrekken als we via de opgang de boulevard hadden bereikt. Er stonden ook bankjes waar je schoenen aan en uit kon doen. Soms liepen we nog een eind op blote voeten over de boulevard. Dat was ook wel lekker, over die warme tegels.

Later, toen we ouder waren, liepen Annemarie en ik ook wel over het strand naar Bergen. We  kwamen dan langs donkergrijze stukken strand, een soort zwart onder het zand. ‘Veen’, noemde mijn vader het.

In Bergen, bovenaan de eerste opgang, stond een stalletje waar je snoep kon kopen. De prijs was een toffeereep van Tjoklat. Je knabbelde de chocola langs de rand weg en daaronder zat harde toffee waar je eindeloos op kon zuigen.

Aan het begin van de huisjes bivakkeerde meneer Zwaan, de strandwacht. Het was bij Zwaan dat de post werd bezorgd, en dus ook de doos vol lekkers die mijn oma ons iedere vakantie stuurde. Dan kwam Zwaan langs, met het grote bericht. Wij holden naar zijn kantoortje en namen het pak in ontvangst. Voor elk kleinkind zat in de doos een eigen zakje, met daarin een Verkadereep, een paar Verkade toffees, een rolletje drop, een doosje rozijntjes en misschien nog wel iets dat ik vergeten ben. Deze schat was verpakt in een grote witte Kingdoos. Nu ik dit opschrijf snap ik ineens het verband met de rolletjes pepermunt die mijn opa altijd op zak had. ‘Wil je een pepermuntje, lieverd’. En in de zomer was er dan die doos.

Ik geloof niet dat ik me in Egmond ooit verveeld heb. Je kon graven, je kon hollen en met de zee spelen. Je kon schelpen zoeken, scheppen en ballen. Zwemmen kon je ook, maar dat is voor mij nooit de hoofdattractie geweest. Ik bouw liever een fort.

Ik had een bal, die heette Pommie. Hij zong en spon, was hemelsblauw. Superflex paravinyl moet erop hebben gestaan, maar voor mij was het superflex paravinkel – dat klinkt nog steeds als zijn officiële titel. Het geluid van zing!!!! als je hem stuiterde was soepel en sterk. Ik kocht hem van de schat die ik gevonden had bij de schatgraaf wedstrijd van de kampeervereniging. Alle kinderen groeven. Ik groef de schat. Daar zat een bon in voor vijf gulden. Daarvan kocht ik op het Pompplein Pommie, die bij mij onder de dekens sliep. Zodra ik wakker werd kon ik met hem het strand op.

Tijd en voortijd

Ik zie het zo. Je hebt de tijd, en je hebt de voortijd. In de voortijd heersen de elementen. In de tijd regeert de maatschappij. In Egmond viel ik samen met de voortijd.

‘Bunker’ was voor mij grijs beton, met smerige maar ook aanlokkelijke kanten. De twee bunkers kwamen in mijn leven in 1954, de zomer ik 7 werd. In de loop der jaren raakten wij ermee vertrouwd. Je klom erop, je sprong eraf. Van de eerste bunker springen durfde iedereen. Van de tweede alleen Annemarie en ik. 

Springen van de tweede bunker vergde wel iets van de mens. Hij was heel hoog, dus je kwam met een klap in het zand. Een dreun waarbij je tanden klapperden en je botten kraakten. Er lagen brokken beton rondom, verscholen in het zand. Je moest goed springen. Wij konden goed springen.

De oorlog was toen ik de bunkers leerden kennen 9 jaar voorbij, maar dat wist ik niet. Ik merkte wel dat mijn ouders het niet zo hadden op die bunkers. Maar de tijd, die ik later op mijn nek zou nemen, was toen nog afwezig in mijn leven. Ik had een bal. Ik had een vriendin. Ik had het strand. Ik had een dak boven mijn hoofd, en wat voor een dak! Een altijd klapperend tentzeil. Op tafel brandde de olielamp. Buiten ruiste de zee. Ruiste, suste, stormde.

Later heb ik verhalen gelezen van communistenkinderen die door ‘het primaat van de politiek’ hun jeugd zagen verpest. Bij mij was dat niet zo. De historie van de bunkers kon me niks schelen. De enige God daar was de zee.

Er gingen over die zee woeste verhalen. Over de vrouw van Jan Snellen, collega van mijn vader, die met een pannetje jus het duin was op gevlucht. Over het wrakhout waartoe het huisje was gereduceerd na de zoveelste aanval. Het huisje kon me niet zoveel schelen. Het was de plek. Het huisje verrees vanzelf weer in het voorjaar, zoals de bloemen uit de grond. Mijn vader en mijn oom Dries bouwden het op. Dat was mijn zorg niet. Weinig dingen waren mijn zorg.

De voortijd kruiste wel eens met de tijd, zoals via die bunkers. Maar dan zei je hallo – of niks – en ging je eigen weg. Je ging niet denken: O, het is 1956, wat kort geleden nog maar! Dat is allemaal met terugwerkende kracht.

Ik kan nu gaan uitweiden over de zorgen van mijn ouders – vooral, zei mijn vader, het leegmaken van die poepton; vooral, zegt mijn moeder, de was die niet wou drogen – maar dat doe ik niet. Hun zorgen waren de mijne niet. Toen. In die tijd.

Ik was een heiden, en zij waren de civilisatie. Je moest op tijd naar bed. Je moest je af en toe wassen en het teer van je voeten halen met petroleum op een oude lap. En dat was het wel zo’n beetje. Heidens. Adam en Eva waren heidens. Het paradijs is heidens. Later krijg je de geschiedenis op je nek.

Marisca Milikowski-Bakker

 

Copyright © 2015-2019 Martin Rep | Bussum | Contact