telefoon rob

We denken er hard over de vaste telefoon de deur uit te doen. Er zijn nog maar drie of vier mensen die ons op dat nummer bellen. Bij onze mobiele telefoons hoort een maandelijkse bundel waar we nooit doorheen raken, en Dicky en ik mogen onderling onbeperkt gratis bellen. Een kleine geschiedenis van het telefoneren: hoe we op de wachtlijst kwamen voor een nummer en hoe dat allemaal veranderde. Stel je voor: een witte telefoon!

De hele redactie van De Zaanlander was op deze zonnige dag in juni 1970 naar onze trouwreceptie gekomen in De Hoop op d’Swarte Walvisch aan de Zaanse Schans. Vanaf nu kwam voor mij een eind aan het wonen op kamers of bij mijn ouders. Mijn laatste adres in Zaandam was in een kamer geweest aan de Wibautstraat, niet ver van de Meidoornstraat waar ik het grootste deel van mijn jeugd had doorgebracht. We hadden een flat toegewezen gekregen in Poelenburg.

Vanaf nu zou ik kostwinner zijn, zoals dat heette, al werkte Dicky ook nog volop. Maar voor een verslaggever had ik een belangrijk probleem: ik had geen telefoon.

Niet dat je daarop echt werd afgerekend. Natuurlijk was een telefoon handig voor een journalist, maar onmisbaar was ze ook niet. Want heel veel mensen die je zou willen bellen, hadden zelf geen telefoon. Het telefoonboek van de Zaanstreek was niet veel meer dan een centimeter dik. Mijn collega Jan Prins – naderhand is hij hoofdredacteur geworden van het Rotterdams Nieuwsblad – had zelfs nog nooit getelefoneerd toen hij bij De Zaanlander ging werken. Hij sloot zich op in een zijkamertje waar een toestel stond en draaide met trillende vingers zijn eerste nummer. Met de politie of bedrijven bellen deed je het liefst vanaf de redactie. Kort en zakelijk, want telefoneren was duur.

Wat dat betreft had ik een streepje voor op Prins. In 1951 opende mijn vader Tinus Rep een sigarenwinkel aan de Meidoornstraat in Zaandam-Zuid, in de buurt die toen nog de Uithoek werd genoemd. Het was letterlijk een uithoek, want hier eindigde Zaandam. Na een tijdje ging het zo goed met de winkel dat Tinus de aanschaf van een telefoon economisch verantwoord vond. Het werd een imposant apparaat dat aan de wand bevestigd werd – een tafelmodel was alleen weggelegd voor rijke mensen die het apparaat alleen hadden voor privégebruik – in zwart bakeliet en uiteraard een draaischijf. (Het handige aan zo’n draaischijf was dat je er een hangslotje aan kon bevestigen om ongeoorloofd bellen tegen te gaan.) 

Rep had het slimme idee om zijn telefoon beschikbaar te stellen voor iedereen – met een kleine toeslag


albertmeester zaanlander

Voortaan was de hele Meidoornstraat bereikbaar onder nummer K2980-5527. Het netnummer – vroeger het kengetal genoemd – van Zaandam was 02980, maar mijn vader had het altijd over K2980. Tot 1950 werd voor de nul in het kengetal de letter K, immers de tiende letter van het alfabet, gebruikt. Tinus Rep had het slimme idee gehad om zijn telefoon beschikbaar te stellen voor iedereen – met een kleine toeslag uiteraard. Voor zijn eigen gezin had dat het nadeel dat je overdag niet mocht telefoneren, want dat kostte alleen maar geld in plaats van dat het wat opleverde. Een groter nadeel was dat de inwoners van de hele Meidoornstraat zich voortaan ook lieten bellen op ons nummer. Niet alleen moest ‘Reppie’ dan naar de woning van de betrokkene lopen, maar hij verdiende ook niets aan een dergelijk gesprek. In woord en gebaar maakte hij de klant dan ook duidelijk dat hij daar niet erg van gediend was. Maar deze dienstverlening weigeren was onmogelijk, want voor je het wist, was je een tabaksklant kwijt.

Om de kosten van de telefoongesprekken bij te houden, liet Tinus een tikkenteller monteren. Voor elke tik rekende hij een dubbeltje. Als er werd getelefoneerd in Zaandam of in de streek, liep de teller maar langzaam op, maar gesprekken naar verdere oorden leverden meer op. Hij zag altijd graag een Indische meneer komen, die een of ander conflict met een Haags ministerie uitvocht en eindeloze gesprekken met het departement voerde, waarbij hij, waarschijnlijk vergeefs, herhaaldelijk verlangde dat de minister aan de telefoon zou komen.

Telefoneren in de jaren vijftig en zestig was duur. Bellen deden we alleen als het beslist noodzakelijk was. Uit zuinigheid bedienden we ons, zoals zovele anderen, van een bekend trucje. Als je je familie wilde laten weten dat je na een verre reis, bijvoorbeeld helemaal naar Amsterdam, veilig was aangekomen, liet je drie keer de telefoon overgaan. Dat ik mij, als pas getrouwde verslaggever van De Zaanlander in 1970 kon laten inschrijven voor een eigen telefoon, was dan ook alleen mogelijk doordat de krant niet alleen de zakelijke gesprekken maar ook de basiskosten (het abonnement) voor zijn rekening zou nemen.

Maar makkelijk ging dat niet. Door de stijgende welvaart waren er opeens veel mensen die een privételefoon wilden. Volgens het boek ‘Gouden Jaren’ van Annegreet van Bergen waren er in 1955 in Nederland 700.000 telefoonaansluitingen, voornamelijk zakelijke. Van de huishoudens had maar 16 procent een telefoon. In 1970, het jaar dat wij trouwden, was dat percentage gestegen tot 45. Steeds minder mensen hadden zin om naar Rep te lopen of in de rij te gaan staan bij een telefooncel, maar ze wilden in hun eigen comfortabele woonkamer bellen met oom Jan in Stadskanaal. Er ontstond in het beperkte Zaanse telefoonnet een schreeuwend tekort aan nummers. Gelukkig kreeg ik een verklaring van mijn werkgever dat ik in verband met mijn werk beslist een telefoon nodig had. Helaas kreeg ik pas bericht dat mij een nummer was toegewezen – het wachten had maar een paar maanden geduurd – toen ik mijn ontslag al had ingediend.

Telefoon hadden we niet. Er was geen manier om Dicky te bellen dat het uren later zou worden


Op de receptie in De Walvisch begon het al aardig druk te worden. Al mijn collega’s hadden me al de hand gedrukt. Helaas ontbrak mijn chef Wim Harwijne. In juni ging Wim steevast op vakantie naar Italië, waar hij al dertig jaar lang een maand lang dezelfde hotelkamer betrok. In zijn plaats was redactiechef Jan de Bruin uit Alkmaar gekomen. Namens hoofdredacteur Wout Middelbeek en directeur L. Christophersen overhandigde hij mij een felicitatiebrief. Maar mochten zij hebben gehoopt dat ik mij als getrouwde medewerker nu dubbel zo hard zou inzetten voor De Zaanlander, dan kwamen ze bedrogen uit. Iedereen wist dat mijn tijd in ‘t ‘Zaantje’ zo goed als voorbij was. Zodra een verslaggever een paar jaar had gewerkt bij ‘de slechtste krant van Nederland’, ging hij ergens anders werken of kreeg hij een post op de centrale redactie in Alkmaar. In mijn geval werd het een aanstelling bij de Amersfoortse Courant. Dus zwaaide Dicky mij een paar maanden later, op een donkere decemberdag, uit voor de lange reis van Zaandam naar Amersfoort. Mijn eerste werkdag daar duurde langer dan voorzien: ik kreeg een avondklus en kon pas om negen uur naar huis rijden.

Telefoon hadden we niet. Er was geen manier om Dicky te bellen dat het uren later zou worden. Toen ik pas ’s avonds laat terugkeerde in Poelenburg, trof ik een huilende, dodelijk ongeruste echtgenote aan.

martin leusdenEenmaal verhuisd naar Amersfoort kreeg ik tot m’n verbazing niet alleen zonder vertraging een telefoonverbinding, ik mocht ook het mooiste nummer kiezen uit een lijst die me werd voorgelegd. Bovendien kon ik voor slechts een kleine meerprijs een witte telefoon krijgen – tot voor kort het kenmerk van luxe, misschien zelfs decadentie.

Naderhand is Dicky nog wel eens ongerust geweest, bijvoorbeeld als ik een belangrijke bijeenkomst in het café had en me niet tijdig had afgemeld voor het avondeten. Dat is niet meer mogelijk. Via Whatsapp en Telegram onderhouden we nu permanent contact. Ik kan haar tien keer per dag bellen, en dat is nog helemaal gratis ook.

Ik denk dat we die ouderwetse vaste telefoon maar wegdoen.

Copyright © 2015-2021 Martin Rep | Radboudlaan 14 | 1402 XP  Bussum | Contact