redzaanlanderkoogHet telefoonboek verdwijnt. Van het meest gebruikte tot het meest overbodige boek van Nederland. Het boek ook dat mij voor het eerst in aanraking bracht met de politie. 

Met een zucht van verlichting las ik dat de telefoongids gaat verdwijnen. Al jaren lang bracht ik die rechtstreeks van de brievenbus naar de oudpapierbak. Ooit een prachtig voorbeeld van Nederlands grafisch vakmanschap, maar sinds de fusie met de Gouden Gids verworden tot een vod dat niemand meer in zijn huiskamer wil hebben.

Hoe lang geleden zou het zijn dat ik een telefoonnummer heb opgezocht in de papieren gids? Toch was het ooit een sensatie: je eigen naam gedrukt te zien! Als zeventienjarige leerling van het Zaanlands Lyceum hield ik een ‘literair kladschrift’ bij, waarin ik in 1963 nogal eigenwijs noteerde: ‘Telefoon is er niet om met elkaar te praten, maar om onszelf te zien – in het telefoonboek’.

In de Zaanstreek werd je eind jaren zestig niet zo heel snel door het staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefoon waardig geacht om een aansluiting te krijgen. Hoewel ik in 1966 verslaggever werd bij dagblad De Zaanlander en bij wijze van spreken elk moment van de dag of de nacht gebeld moest kunnen worden voor een uitslaande brand, had ik geen eigen telefoon. De Zaanse centrales waren niet berekend op extra nummers en je moest bij wijze van spreken wachten tot er een abonnee doodging voor je er een kon krijgen.

Eindelijk was het zo ver – helaas pas een paar weken voordat ik bij De Zaanlander vertrok. In Amersfoort, mijn nieuwe woonplaats, waren de centrales blijkbaar groter en mochten we zelfs het mooiste kiezen uit een lijst van beschikbare nummers. En zo stond mijn naam korte tijd later, afgedrukt in de echte telefoongids van Amersfoort:

REP M Plevierstraat 14, journal, 26123.

Ik zette er met balpen een streepje voor, zodat ik mezelf gemakkelijk kon terugvinden. Ik besta, kijk maar, hier staat mijn naam!

Zwart en bakeliet

Telefoongidsen destijds waren wat het internet is tegenwoordig.  Als je helemaal geen nieuws wist voor de krant, kon je door de kolommen bladeren, op zoek naar bijzondere beroepen of bedrijven waar misschien een verhaal in zat. Je kon een naam terugvinden die je even kwijt was; het aantal aansluitingen was beperkt, bijna niemand had een geheim nummer.

Bij De Zaanlander was alleen het telefoonboek van de Zaanstreek aanwezig – waarom zou je iemand in Amsterdam of Den Haag moeten bellen? Mocht dat een keer nodig zijn, dan draaide je 008, waar een vriendelijke (echte, levende) dame je het gewenste nummer gaf. Je horloge zette je gelijk na het kiezen van de tijdmelding op 002; pas een paar maanden geleden is de ‘stem van 002’, actrice Willy Brill op 91-jarige leeftijd overleden. En mocht je in die tijden ver voor NU.NL het laatste nieuws willen weten, dan draaide je 06222-333.

Criminele daad

 

Dit alles ter inleiding van een herinnering die mij te binnen schoot bij het horen van het nieuws over het laatste telefoonboek. Het is mijn eerste herinnering aan de telefoon, en tevens mijn eerste kleine criminele daad. Waarbij ik na dapper en volhoudend speurwerk thuis werd aangehouden.

Het gebeurde in 1952. Ik was zes jaar en zat in de eerste klas van de christelijke lagere school die inwoonde in de openbare school aan het Kattegat in Zaandam; pas een jaar later zou de Ds. Lindenboomschool een eigen, zeer modern nieuw pand krijgen aan de H. Gerhardstraat. Mijn vriendjes waren Rob Berghege – hij zat naast mij in de eerste klas – en Herman Roode, die meestal Herrie werd genoemd.

Van het huis van Rob aan de Burgemeester Van de Stadtstraat naar ons huis aan de Meidoornstraat was het nog geen tien minuten lopen. Je kwam dan eerst langs wat wij een ‘landje’ of een ‘demp’ noemden: een braakliggend terrein aan de Kepplerstraat waarop sintels lagen met soms plassen water. Later zou hier de Paaskerk worden gebouwd. Daarna liep je over de nieuwe brug over de Hanepadsloot.  Aan de overkant van de sloot was ook zo’n landje: een kaal terrein waar ruim vijftien jaren later winkelcentrum Spitsbergen zou verrijzen.

In de kraag gegrepen

In 1952 was er nog geen sprake van een winkelcentrum, er was geen Edah, geen Bodega Spitsbergen. Er stond alleen een telefooncel.

Die telefooncel oefende een magische aantrekkingskracht uit op Rob en mij. We stonden erin, bladerden door het telefoonboek en schroefden de hoorn open. We strooiden er wat zand in. Misschien zou de telefoon wel kapot gaan.

Een paar dagen later kwamen we terug. We scheurden een paar bladzijden uit het telefoonboek. Het was allemaal reuze spannend, en we maakten plannen voor een nieuw bezoek. Het leek Herman ook wel wat, hij ging met ons mee.

Nauwelijks stonden we in de telefooncel of een man in uniform kwam op ons af rennen. Rob en ik maakten dat we wegkwamen, maar Herrie werd in de kraag gegrepen. “Waar woon je? Ik ga met jou mee naar huis”, beet de PTT-speurneus hem toe.

Huilend, op schoot bij zijn moeder, viel Herrie door de mand. Hij noemde de namen en adressen van Rob en mij. Toen ik thuiskwam, werd ik al opgewacht door de telefoonpolitie. Even later ging hij naar de familie Berghege.

Het was het gesprek van de dag in dit stukje Zaandam. We groeiden op voor galg en rad, zoveel was zeker. We zouden er wel meer van horen. Met angst en beven keken we de volgende dag in de krant. Maar het nieuws was De Typhoon ontgaan. Pas veel later zou ik daar op de voorpagina verschijnen – maar dat is een ander verhaal.

 

 

Copyright © 2015-2021 Martin Rep | Radboudlaan 14 | 1402 XP  Bussum | Contact